De blik in zijn spiegel

Het roffelen van zijn hart was even gestopt. En de stilte die het achtervolgde nam bezit van de kamer. Het werd zelfs zo stil dat het knipperen van de ogen klonk als het gefladder van een vlinder. Iedere gedachte, hoe verborgen ook in de grijze zee, werd hoorbaar. Zijn handen bevonden zich aan weerszijden van spiegel aan de muur. Het hoofd was gebogen, de ogen stijf gesloten alsof er iets akeligs te zien was. Maar er was niets te zien. Niets dat hij niet al vierendertig jaar zag, iedere ochtend, iedere middag. Iedere keer dat hij de dag aan de nacht liet en zich klaarmaakte om elders te gaan.

“Verleid me…”, had Zij gefluisterd.

Waarom had ze niet om de sterren en de maan gevraagd? Waarom niet de schepping van een nieuwe wereld of een laatste oordeel, als men toch bezig is? Waarom die uitdaging die klinkt als een auditie op een fel verlicht toneel met een vijandig publiek? Ja, hij was de meester van woorden. De man die zo mooi alles kon omschrijven wat er in vogelvlucht langs hem kwam. Maar met twee woordjes maakte Zij hem monddood.

Hij zuchtte, zachtjes, doch het klonk als een orkaan. Zijn hoofd leunde hij tegen de spiegel, zodat de reflectie werd afgeschermd. Niets wilde hij voorlopig zien, want niets was er in zijn gedachten. Niets dan wanhoop. Hoe kon hij Haar in vredesnaam verleiden? Hij die nog geen hongerige kon verleiden tot het eten van een broodje. Hij die iedere nacht, als hij braaf zijn oogjes sloot, alleen nog maar kon dromen van Haar blik. Hij die iedere nacht smeekte om alleen maar op zijn knietjes vlakbij Haar te mogen zijn. Hij die iedere ochtend wakker werd, bezweet, gegroeid in lichaam, gekrompen in wanhoop. De wanhoop van een slaafje, dat met een simpele beweging door Haar was verleid.

Ja! Zij had hem verleid! Hij richtte zich op en keek in de spiegel. Zij had hem verleid, met woorden. Maar welke woorden waren dat ook alweer? Hoe had Zij hem zover gekregen dat hij al bijkans wilde buigen voor slechts de kracht van haar geschreven zinnespel. Zij had precies geweten hoe Ze dat moest doen. Hoe Ze in zijn hoofd moest komen, in zijn hart. En hoe Ze dat alles met Haar onzichtbare boeien kon ketenen. Zij was de Meesteres van de verleiding. Zij was als het ultieme genotsmiddel geweest. En hij was verslaafd.

“Verleid me…”, had Zij hem toegefluisterd. “Je kunt het.”

Hij twijfelde. Kon hij Haar werkelijk verleiden gelijk Zij hem verleid had? Zij als een prachtige machtige spin in Haar web. En hij machteloos in Haar draden. Zouden er ooit mannen hebben bestaan die Haar hadden kunnen weerstaan? Waren dat de helden geweest waarover de legendes gaan? Of waren het de verliezers, want ze verloren Haar aandacht? Hij wilde niets liever dan Haar aandacht hebben. “Gebruik je woordenschat”, had Ze hem aangemoedigd. Die woordenschat was een lege doos, zo leek het nu. Een houten kist die ergens in een hoekje van een tochtig kasteel verscholen zat. Open, leeggeplunderd door een wanhopige hofnar, die zocht naar de juiste woorden om een koningin te verleiden. Woorden? Bestaat er eigenlijk wel woorden die genoeg zijn om een Meesteres te bekoren? Bestaan er wel woorden die zo goed zijn dat ze feller fonkelen dan een diamant?

Een Meesteres, dacht hij. Maar evengoed een vrouw. Natuurlijk niet zomaar een vrouw. Ze is veel meer dan dat, klonk het in zijn hoofd. Zij is groots, mooi en nog verleidelijker dan het woord. Zij is de bron, de bron van alles. Alles wat ik nu ben en wat ik hoop te worden. De alfa en de omega. En hij voelde zich de zalm, die niet richting open zee gaat. Niet de zalm die zijn vrijheid zoekt, maar de zalm die tegen de stroom in spartelt en vecht, op weg naar de bron. Hij voelde zich de zalm die zijn laatste restjes leven eruit perst enkel en alleen om leven terug te brengen naar bron. En daar te sterven.

“Waar zal het mij brengen?”, had Ze hem gevraagd.

Hij pijnigde zichzelf, zoals Zij hem ook eens gepijnigd had. Maar hij had niet dezelfde blik als welke Zij als machtig wapen op hem af kon sturen. De bron waarheen hij was gegaan was een die hij niet kon beschrijven. Een bron van geilheid, vertrouwen en overgave. Een die dieper en intiemer was dan welke hij ooit eerder beleefd had. Een plek waar hij gedwongen was om in Haar spiegel te kijken. Om te zien wie hij geworden was, na het opofferen, het lijden, het genieten. Hij had in Haar spiegel gekeken, ja.

Met zijn hoofd sloeg hij zachtjes tegen de spiegel. Wat was hem ontgaan? Wat had hij gezien? Alleen dat mannetje dat was getransformeerd tot slaaf? Dat naakte, bibberende, witte lichaam, geketend en wel. Had hij alleen daarvoor aandacht gehad? Of nee, neen. Hij dwong zichzelf beter te concentreren. Wees oprecht tot jezelf, sprak hij halfluid. Je keek niet alleen naar jezelf, je keek ook naar Haar. Natuurlijk keek je naar Haar.

Zijn wenkbrauwen deden een poging elkander nader te komen. Het voorhoofd vertoonde diepe groeven. Via de spiegel had hij in Haar ogen gekeken. Ze hadden zich niet zoals steeds in de zijne geboord. Nee, Haar ogen hadden gestreeld. Ze waren als prachtige vlinders over zijn lichaam gegaan. Het voelende, proefende, genietende. Er had lust in verscholen gezeten.

Hij keek weer op, recht in de spiegel. De stilte die zo fijn door de lucht gedwarreld had werd weggevaagd door het getrom van zijn hart. Bestond er de mogelijkheid dat hij zich vergist had? De gedachte kwam en ging. Hij had zich niet vergist. Ze had hem gretig bekeken. Heel even was de dominantie uit Haar ogen verdwenen geweest en had plaats gemaakt voor verlangen.

“Ik moet me inhouden”, dat had ze toch gezegd? “Ik moet mijn best doen om me in te houden.” Was dat puur en alleen om hem te beschermen? Hij was zo breekbaar geweest, zo frêle en Haar verlangen om verder te gaan had als een guirlande om Haar schouders gehangen. Ze hield zich in voor hem, maar de moeite die Zij moest doen was vanwege Haarzelf. Zij had verder willen gaan, meer willen doen.

Hij knipperde met zijn ogen van lichte verbazing over deze gedachtes. Hij verbeelde zich dat hij Haar ogen kon zien. En met het zien van Haar ogen zag hij alweer de hunkering. Die van hem of die van Haar? Of was het van beiden? Zijn eigen verlangens, die moest hij toch kunnen herkennen?

“Verleid me….zeg me waar het mij brengen gaat.”

Zij had hem verleid. Hij zei het hardop tegen de reflectie. Zij had hem met Haar woorden geketend. Zij had hem aan Haar prachtige voeten laten knielen. En hij had dat heerlijk gevonden. Zoals hij ook had genoten van de geur van Haar schoenen, de smaak van Haar voeten. Hij had zich in de hel als in de hemel gewaand, in Haar macht. Hij kon Haar nagels over zijn huid nog altijd voelen. De boeien rond zijn polsen, het touw rond zijn ballen en zijn pik. Hij kon het nog altijd voelen.

Hij had zich vernederd gevoeld, angstig, onzeker. Hij had zich gelukkig gevoeld, vereerd met Haar aandacht, Haar verlangen hem aan Haar voeten te hebben. Hij had zich trots gevoeld om daar te mogen zijn. En Zij had hem verslaafd gemaakt. Ze had hem laten drinken van Haar bron en hij kon niet meer zonder.

Daar had Zij hem naartoe gebracht. Naar Haar bron. Doch waar kon hij Haar naartoe brengen? Hij had zich gelaafd aan Haar dominantie, Haar macht, Haar zachtheid, Haar ervaring. En Zij? Zij had zich gelaafd aan zijn onervarenheid, zijn maagdelijkheid, zijn onschuld.

Waarheen kon hij Haar brengen anders dan zijn onervarenheid? Naar zijn eigen hunkering wellicht? Kon hij, mocht hij, Haar aan de hand nemen en leiden naar een poel van geilheid, verlangens, van angsten en verleiding, van onderwerping en vertrouwen? Hij die zich met al zijn passie, al zijn verlangens zou willen werpen op Haar voeten. Hij die zich volledig wilde geven aan Haar lusten, Haar passie. Kon hij Haar daar naartoe leiden?

Met zijn hand streek hij door zijn haar. Het hielp zijn gedachtes zich te formeren in gelid. Zij had zich in moeten houden voor hem. Hij zou Haar kunnen leiden, kunnen geven waar Ze toen naar had verlangd. Hij kon Haar brengen naar de plaats waar zijn hunkering zou veranderingen in zijn totale onderwerping aan Haar hunkering. Hij hoefde Haar er alleen maar voor te vertrouwen…

Hij slikte moeizaam. Vertrouwen was een sleutelwoord. Zijn verlangen naar Haar was geen vraagteken. Het was reëel, alom aanwezig, hem verterend als het vagevuur waarin hij zeker zou branden als iemand wist hoe diep zijn verlangen werkelijk was. Zij was zo mooi, zo vrouwelijk. Zij was de vleesgeworden verleiding. Zijn maagdelijkheid had Ze hem reeds ontnomen. Nu Ze dat al had kon hij Haar zijn bevrijding geven. Ja, hij kon Haar leiden naar die plek waar hij zelf nog nooit geweest was.

Traag kronkelend zweet zocht zich een weg over zijn rug. Hij keek diep in zijn spiegel, alsof hij zocht naar die plaats. De plaats van bevrijding, de plaats waar hij laagjes neer zou leggen die hem zijn leven lang hadden beschermd. De schermen, de muren, de tralies, niets kon daar bestaan. Hij zou Haar kunnen brengen naar die plaats waar hij…..hij Haar slaafje was, haar jochie, die speciale plaats waar hij zichzelf werkelijk was.

voetveegje

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.